Liselotte Welskopf-Henrich en de Indianen*

Door Julio Punch

 

Inleiding

"Misschien zou Quennie hebben toegegeven. Maar dat andere schilderij was niet gemaakt door Quennie, die de blanke mannen en vrouwen opnieuw wilde vertellen over de oud-Indiaanse kunst. Dit tweede schilderij was het schilderij van Tashina, die in Quennie verborgen was en van wie de leraren niks afwisten."

Dit citaat uit het bloedstollende „Nacht over de prairie" had Liselotte Welskopf-Henrich wellicht over haarzelf kunnen schrijven. Deze geëngageerde schrijfster komt naar mijn mening de eer toe als Europeaan de meest realistische Indianenboeken te hebben geschreven. Haar boeken werden in twaalf verschillende talen vertaald en hebben een gezamenlijke oplage van over de zes miljoen. In de Engelstalige Indianenliteratuur wordt echter met geen woord over haar gerept.

Toch was Liselotte Welskopf-Henrich ook de geleerde Elizabeth Charlotte Welskopf, alhoewel weinigen vermoedden dat deze twee personen dezelfde waren. Zij was de eerste vrouwelijke professor aan de Humboldt-universiteit en liet na haar dood ruim 3.000 bladzijden aan filosofische en historische geschriften na. In bepaalde opzichten waren deze twee personen de weerspiegeling van elkaar. Zoals u zult zien.  

Cover of "Nacht über der Prärie", first edition 1966 (Klaus Segner) Nacht über der Prärie
Eerste van de vijf delen van de romancyclus "Das Blut des Adlers". Voorkant van de eerste editie uit 1966 van Mitteldeutscher Verlag Halle (Saale), Oost Duitsland. Naar een ontwerp van Klaus Segner van Gruppe 4, Berlijn


Een brief aan de president


Er was eens een Duitse jurist die Rudolf Henrich heette. Op 15 september 1901 werd zijn leven en dat van zijn vrouw verrijkt met een dochter die onder de naam Liselotte Elizabeth Charlotte door het leven zou gaan. Rudolf Henrich was een wees en elke keer dat hij thuis over de lotgevallen van zij broers en zussen vertelde, ontstond in zijn jonge dochter het verlangen alles te doen wat in haar beperkte mogelijkheden lag voor zwakkeren en getroffenen.

Toen Liselotte negen was, las zij voor het eerst over Indianen in het boek „The Leatherstocking Tales" van de bekende auteur J. Fenimore Cooper. Een jaar later begon zij haar levenslange kruistocht tegen alles wat in haar ogen onrechtvaardig was.

In de tijd vóór de televisie zat de familie Welskopf elke avond om de leeslamp verzameld. Op een zo’n avond die voor Liselotte in geen enkel opzicht anders was dan de vorige, keek haar moeder haar met vreemde ogen aan, in plaats van de krant te lezen die zij in haar handen hield. Toen Liselotte opkeek van haar boek en haar moeder in de ogen keek zei die: „Kijk, jouw Indianen zijn in Mexico in opstand gekomen. Het leger rukt uit. Het zal hun slecht vergaan. En wat doe jij? Jij praat alleen maar over Indianen." Deze woorden waren spottend bedoeld maar het schaamrood steeg Liselotte naar de kaken. In 1911 vatte de president van Mexico het plan op de in zijn land woonachtige Yaqui Indianen te deporteren, waarop de Yaqui naar de wapens grepen. Keer op keer herlas Liselotte het betreffende artikel en pijnigde haar hersens wat te doen. Eerst vatte zij het plan op zich naar Mexico te laten verschepen om daar persoonlijk de president op haar knieën te smeken de Yaqui goed te behandelen. Maar voor dit plan was geld en een paspoort nodig, en Liselotte had geen van beide. Haar tweede plan was het schrijven van een brief aan de president en deze zo snel mogelijk op de post te doen. In een lange brief aan de president van Mexico te Mexico, verzocht zij hem wat humaner op te treden tegen de Indianen. Liselotte wachtte op antwoord. Iedereen die zij over de brief vertelde, lachte haar recht in het gezicht uit. Maar het antwoord kwam, zes maanden later. Fransisco Nadero deelde het „bewonderenswaardige meisje" mee dat hij persoonlijk zijn troepen had opgedragen menselijk op te treden tegen de Indianen. Tot Liselotte’s grote ontsteltenis werd enkele weken later deze president afgezet en op de vlucht neergeschoten.

Als kind las zij eerst de boeken van Cooper (waar toen al Duitse vertalingen van bestonden) en daarna die van Karl May. Dit laatste moest ze in het geniep doen aangezien Karl May in het toenmalige Duitsland, overigens niet geheel ten onrechte, als een crimineel werd beschouwd.

Op veertienjarige leeftijd besloot zij dat ze later schrijfster en professor in geschiedenis wilde worden en een Indianengeschiedenis wilde schrijven. Op vijftienjarige leeftijd begon zij zelfstandig Thukydidas, Tacitus en andere boeken over Griekse geschiedenis en mythologie te lezen en nam het besluit om na het gymnasium klassieken te gaan studeren. Vanaf 1921 studeerde zij aan de universiteit klassieken, economie en geschiedenis. Na haar afstuderen onderhield zij diverse academische posities. Veel zou er echter veranderen toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

Liselotte was gedurende de hele Tweede Wereldoorlog in het verzet actief. Al in 1940 kreeg zij het aan de stok met de politie vanwege haar steun aan Franse oorlogsgevangenen. Tegen het eind van de oorlog begon de Gestapo haar sterk te verdenken van het steunen van Joden. Zij onderhield contact met gevangenen van het concentratiekamp Saschenhausen en het werkkamp Lichterfelde. Zij hielp talloze gevangenen uit het concentratiekamp ontsnappen. Eén van hen, Rudolf Welskopf, bleef enkele maanden bij haar ondergedoken. Na de oorlog werden ze man en vrouw. Haar ervaringen gedurende het Derde Rijk verwerkte zij in het semi-autobiografische Jan und Jutta (1953). De invloed van deze gruwelijke vloek zou ook in andere geschriften een rol gaan spelen.
 

Harka of "Die Söhne der Großen Bärin"

Nadat Liselotte van het gymnasium kwam, deed zij diverse pogingen het boek te schrijven dat later „Die Söhne der Großen Bärin" (De zonen van de grote beer) zou gaan heten, met het doel anti-stereotypsiche Indianenliteratuur te schrijven. Pas in 1951 werd dit boek in een volume gepubliceerd. Een herziene en uitgebreidere versie in zes afzonderlijke delen verscheen vanaf 1963. Deze serie verscheen vanaf 1966 in het Nederlands als de „Harka-reeks" bij uitgeverij Hollandia. De vertaling uit het Duits van mevrouw D.A. Cramer-Schaap is matig aangezien zij te dicht bij het oorspronkelijke Duits blijft. Om redenen die ik niet heb kunnen achterhalen, werden de eerste dwee delen in deeën gesplitst en als afzonderlijke delen uitgegeven. Het derde deel werd wel in zijn geheel uitgegeven. De resterende drie delen werden nooit naar het Nederlands vertaald.

Liselotte hechtte een groot belang aan de juiste proportionering van teksten, waarin naar een climax wordt toegewerkt die vervolgens weer wordt afgebouwd met een verdeling die correspondeert met een bepaalde ratio. De keus van de uitgever voor de zes aparte delen in 1963 vond zij maar niks.

Liselotte gebruikte zelf graag de term "Entwicklungsgeschichte" (ontwikkelingsverhaal) voor haar romans. Het was de bedoeling om de ontwikkeling van een groep mensen weer te geven aan de hand van een of enkele individuen uit die groep. In deze serie is dat het fictieve personage Harka, die karaktereigenschappen heeft die ontleend zijn aan het beroemde opperhoofd Crazy Horse. Toen Liselotte in 1974 een bezoek bracht aan ons land zei zij tegen verslaggever Frank Schuitenmaker van de Volkskrant: „in mijn boeken blijft de hoofdzaak de weg die mensen in hun leven afleggen; hun ontwikkeling".

Liselotte deed veel moeite betrouwbare bronnen te vinden voor haar romancyclus. De boeken van de Lakota’s Luther Standing Bear en Charles A. Eastman waren in Duitse vertalingen verkrijgbaar. Deze boeken werden echter pas geschreven nadat beide mannen door blanken opgezette scholen hadden bezocht en tot het christendom waren bekeerd. Ook de boeken van de bekende Indianenschilder George Catlin gebruikte zij als bron, alhoewel ook deze boeken veel feitelijke onjuistheden bevatten die voortkomen uit Catlins foute interpretaties. Daarnaast pleegde zij overleg met wetenschappers in Berlijn en Zürich.

Als de cyclus begint, hebben de Indianen van de Berenclan nog nooit blanken gezien. De blanke schilder Dan Morris (duidelijk een karikatuur van George Catlin) en een ontsnapte negerslaaf die later opgenomen wordt in de stam, berichten hun over het leven van de blanken. Red Jim, een van de vele avonturiers op zoek naar goud, geeft Harka’s vader, Mattotaupa, alcohol te drinken. Mattotaupa wordt daarom verbannen door Sitting Bull. Harka volgt zijn vader vrijwillig in de verbanning. Het worden zware tijden als zij met zijn tweeën moeten zien te overleven in de wildernis en als zij de kans krijgen om in een circus te werken, nemen zij die aan. Later helpen Harka en zijn vader mee aan de bouw van de Pacific-spoorlijn. Nog later begint Harka een gevreesd krijger te worden en sluit zich aan bij Crazy Horse, ondanks dat hij beseft dat de strijd tegen de blanken tevergeefs zal zijn. Harka, die inmiddels de nieuwe naam „Inya-he-yukan" verdiend heeft, leidt zijn volk ‘s winters over de Missouri naar Canada. Daar kopen zij land met het goud dat zij bezitten en gaan over op een landbouwersbestaan.

In deze verhaallijn is het Marxistische gedachtegoed duidelijk herkenbaar. Erg vergezocht is dat niet aangezien het juist de klassenloze jagers/verzamelaars samenlevingen (een soort oer-communisme) waren die de inspiratiebron vormden voor het communisme. Volgens deze theorie beweegt de geschiedenis zich in cirkels (zodoende dat Liselotte altijd nadrukkelijk de term “cyclus” gebruikte voor de serie) maar is er wel altijd sprake van progressie. De cirkel wordt rond als de Lakota’s terugkeren tot een landbouwersbestaan (de Lakota’s zijn voordat zij in het prairiegebied terechtkwamen landbouwers geweest). Later in haar leven zou Liselotte zich distantiëren van het toepassen van Marxistische theorieën op inheemse volken.

De romancyclus bestrijkt de periode van 1863 tot 1878. De romancyclus begint dus één jaar na de bloedige opstand van de Dakota’s in 1862. De Dakota’s waren op een reservaat geplaatst, kampten met een hongersnood en werden zeer slecht behandeld door hun blanke overheersers. Dit was de aanleiding voor een bloedige gewapende confrontatie. De cyclus eindigt in 1878 met de ontsnapping van de Berenclan naar Canada. Dit was het jaar nadat de laatste vrije Lakota’s op reservaten waren geplaatst en Crazy Horse op uiterst laffe wijze om het leven werd gebracht. De periode bestrijkt het meest gewelddadige treffen tussen Indianen van de „Zeven Haardvuren" en de blanken.

Het boek werd in de jaren na verschijnen één van de meest gelezen jeugdboeken in de DDR. Er werd een radiohoorspel van gemaakt dat in Duitsland en Nederland werd uitgezonden. In 1966 wilde de Duitse filmmaatschappij DEFA een graantje meepikken van het succes van Die Söhne der Großen Bärin. Liselotte schreef zelf een script en deelde diverse rollen toe aan Indianen uit Wood Mountain in Canada. De filmmaatschappij schreef achter Liselotte’s rug om echter een heel ander script. De film werd één van de succesvolste Oost-Duitse films van de jaren zestig en werd het eerste deel in een serie van dertien Oost-Duitse „Indianenfilms". Het was ook de springplank voor de filmcarrière van Gokjo Mitix, een volbloed blanke uit Oost-Europa die de hoofdrol vertolkte.

De instandhouding van stereotypen en de verwrongen feitelijke weergaven in de film bezorgden Liselotte slapeloze nachten. Zij eiste dat haar naam niet genoemd zou worden als schrijfster van het script en dat bij de aftiteling alleen "nach dem gleichnamigen Roman von Liselotte Welskopf-Henrich" (naar het gelijknamige boek van Liselotte Welskopf-Henrich) zou overblijven. In december 1966 hoorde Liselotte dat DEFA interesse had om nog meer films te maken op basis van haar boeken. Nadat Liselotte in een brief uiteen had gezet dat alle copyrightrechten van haar en uitgeefster Lucie Grozner waren, en de filmmaatschappij met een rechtszaak dreigde als zij ooit de wet op het copyright zouden schenden, zagen zij hier vanaf.

De romancyclus is een literaire weergave van haar filosofische studie naar „Muße" wat letterlijk „vrije tijd" betekend. Liselotte schreef fantasierijk tegen de bestaande typen en stereotypen in, vooral wat betreft het vriendenpaar van Karl May. Zij verdeelde stereotypen over verschillende personages en draaide bestaande patronen om.

Concluderend moet ik zeggen dat Liselotte zeker slaagde in haar poging anti-stereotypische Indianenliteratuur te schrijven die tegelijkertijd historische waarde had. De cyclus is een geslaagde literaire reflectie van haar studie naar „Muße". Toch valt er het een en ander aan te merken op de cyclus. Ten eerste is de cyclus niet ontdaan van de nodige projectie ten opzichte van haar eigen Oost-Duitsland dat het nou niet bepaald makkelijk had in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Het gebruik van theorieën uit de westerse filosofie om de geschiedenis van een niet-westers volk te verklaren, duidt nu juist op het eurocentrisme dat Liselotte zo graag wilde "ontdenken". Bovendien is de zo kenmerkende Indiaanse humor volkomen afwezig en komen de voor tribale samenlevingen zo integrale rituelen en mythen slechts zijdelings aan de orde.  


"Muße"

Liselotte’s bevindingen naar het concept „Muße" in klassenloze samenlevingen werd voor een groot gedeelte, maar niet uitsluitend, vastgelegd in het boekwerk Probleme der Muße im Alten Hellas (Problemen omtrent vrije tijd in het oude Griekenland). Zij onderzocht de homerische en pre-homerische samenlevingen en analyseerde een hele reeks filosofen waarbij met name Marx en Aristoteles veel aandacht krijgen.

Liselotte ontwikkelde een hypothetisch concept van „Muße" die gepaard ging met een theorie voor klassenloze samenlevingen. Zij ging ervan uit dat menselijke samenlevingen aan cyclische ontwikkelingen onderhevig zijn en dat haar bevindingen universeel waren. Zij probeerde een historisch toegankelijke samenleving (zoals die van de Lakota) van authentiek „Muße" te contrasteren met de oprukkende „beschaving" in welke sinds „Schole" (school) een scheiding bestaat tussen vrije tijd en school, alsmede tussen opvoeding en educatie.

Ideaal gezien is "Muße" het belangrijkste element in zijn afhankelijkheid aan machtsstructuren van een wereld waarin de keten tussen productie, consumptie en „Muße" in balans verkeert. Opvoeding en educatie zijn integraal aan de hele levensstructuur. In zijn ideaal en foutloos functioneren (voordat de balans verstoord werd) kan een dergelijk „Muße" een inspiratiebron zijn voor een ideale samenleving.

Haar bevindingen kort samengevat:

  1. In vroege klassenloze samenlevingen vormen opvoeding en educatie een eenheid.
  2. „Muße" omvat zowel school als vrije tijd en vertoont gemeenschappelijke eigenschappen met arbeid. Beide bestaan in een tweezijdig onderscheid van de dagelijkse eenheid.
  3. In een dergelijke samenleving vormen zijn en activiteit een eenheid.
  4. Spel kan begrepen worden als het duidelijkste en meest karakteristieke deel van dit „Muße" en het enigste gedeelte dat voortleeft in een klassenmaatschappij (Muller 1995: 324).  

 

              Licht über weißen Felsen
Tweede deel van de romancyclus "Das Blut des Adlers". Voorkant van de eerste editie uit 1968, naar een ontwerp van Klaus Segner

Cover of "Licht über weißen Felsen", first edition 1967 (Klaus Segner)


De Stenen Jongen  


Liselotte schreef in totaal vijf korte kinderverhalen. De eerste schreef zij toen haar eigen zoontje net oud genoeg was om voorgelezen te worden. De enige van de vijf die onlosmakelijk met Indianen te maken heeft, is Der Steinknabe (de Stenen Jongen) die gepubliceerd werd in 1953. Het was een weergave in het Duits van een oude Lakota-legende, op de voorkant van het boek „Märchen" (sprookje) genoemd.

Volgens de Lakotamythologie waren er lang geleden vier broers die in stamverband leefden. Ze misten echter een zus. Op een dag bezocht een vrouw hun kamp en nam de uitnodiging aan om te blijven. Het was echter een boosaardige vrouw en alleen door toedoen van de jongste broer konden de andere broers aan de dood ontkomen.

Op een gegeven moment verscheen er nog een vrouw die ook werd verzocht om te blijven als een zus. De vier broers leefden in harmonie met haar en zichzelf. Totdat op een dag een van de broers niet terugkeerde van de jacht. Hetzelfde gebeurde ook een voor een met de andere broers totdat de vrouw alleen achterbleef. De eenzame en verdrietige zus slikte een steen in die haar zwanger maakte met de Stenen Jongen. Nadat zij geboorte had gegeven aan de Stenen Jongen bleek hij onverwoestbaar te zijn. De Stenen Jongen wist zelfs zijn ooms weer tot leven te brengen en zij keerden terug naar het kamp. De jongen begon nu willekeurig en zonder reden dieren te doden. De dieren die overbleven, gingen samenwerken en probeerden de Stenen Jongen te verslaan.

De jongen beschermde zichzelf en zijn moeder en ooms door grote rotsmassieven om hem heen te bouwen (waarschijnlijk de Black Hills). Zelfs grote dieren als bizons en beren waren niet in staat de Stenen Jongen te doden. Uiteindelijk werd het rotsmassief omsloten door bevers die het met water lieten overspoelen. De Stenen Jongen stierf en verdween gedeeltelijk in de grond. Een bergmassief is het enige wat van hem overbleef.

De legende wijst op twee belangrijke conclusies. Ten eerste op het gebruik van nodeloos geweld en doden zonder reden zoals dat wordt gedaan door de Stenen Jongen. Ten tweede dat de kleineren en zwakkeren de Stenen Jongen kunnen overwinnen als ze samenwerken. Deze vertelling heeft net zo goed betrekking op Europeanen als Indianen. Het vergt niet veel fantasie om in de Stenen Jongen een metafoor te zien voor het nazisme.  


Avontuur  

Liselotte deed een diepgaand historisch onderzoek naar en publiceerde veel over de rol van avontuur in literatuur. Haar studie richtte zich voornamelijk, maar niet volledig, op Indianenliteratuur. Zij gaf fel af op de discriminatie van Indianen en natuurlijk ook op de discriminatie van haarzelf als schrijfster van Indianenboeken. Haar beide jeugdvrienden Cooper en May werden aan een uitvoerig onderzoek onderworpen. Cooper komt er bij haar, ondanks een aantal kritiekpunten, van de twee het beste af. In de literaire wereld wordt May van de twee schrijvers het hoogst aangeslagen. De boeken van Cooper zijn ook minder toegankelijk en Cooper zag de Indianen als een verdwijnend ras, dit in tegenstelling tot May die wat dat betreft veel sympathieker tegen de Indianen aankeek. Toch slaagde Cooper er in historische romans te schrijven, die deels voortkwamen uit zijn eigen observaties. Het avontuur is bij Cooper een essentieel onderdeel van het verhaal, maar niet het eigenlijke doel. Karl May’s Winnetou gedraagt zich in sommige opzichten uiterst onlogisch. Hij laat zich bekeren tot de godsdienst van de blanken. Hij behoort een opperhoofd te zijn, maar is bijna nooit bij zijn volk. Hij helpt mee bij de bouw van een spoorlijn die slechts dood en verderf zal brengen aan zijn volk, alleen om zijn blanke vriend Old Shatterhand te behagen. Karl May’s alter ego, de blanke allesweter Old Shatterhand, kon in Liselotte’s ogen geen genade vinden, zij noemde hem een "unerträglich eitler Kerl" (onverdraaglijk ijdele kerel).  


"Das Blut des Adlers"  

Soms is de grens tussen literatuur voor jongeren en volwassenen moeilijk te trekken. Echte literatuur legt verbanden met andere zaken, deze verbanden zijn in de boeken van Liselotte Welskopf-Henrich zeker aanwezig al zal de lezer ruimschoots over Indianen gelezen moeten hebben om deze verbanden te leggen. Door lezen en herlezen ziet men steeds meer van deze verbanden. Ik heb zelf het boek „Nacht over de prairie" ruim twintig maal gelezen en elke keer dat ik het lees, ontdek ik er weer nieuwe dingen in.

In 1962 bezocht Liselotte, na een lang oponthoud in verband met haar visum, voor het eerst het Noord-Amerikaanse continent. Zij gaf lezingen aan een groot aantal Amerikaanse universiteiten en dit bepaalde voor een groot deel de locaties. In het begin vonden de bezoeken aan de reservaten plaats onder leiding van het BIA (Bureau of Indian Affairs), een instituut dat door de Amerikaanse regering in het leven werd geroepen om de Indianen te „beheren". Maar omdat Liselotte nauwelijks de kans kreeg met de Indianen zelf te praten, zag zij al gauw van deze opzet af en ging zij voortaan op eigen houtje. Behalve Zuid-Dakota bezocht zij ook de achtergebleven Lakota-Indianen in Canada, die een rol hadden gespeeld in haar romancyclus „Die Söhne der Großen Bärin".

Zij had genoeg gezien en gehoord om aan een nieuwe romanserie te beginnen die zich ditmaal zou afspelen in de huidige tijd en later Das Blut des Adlers (Het bloed van de adelaar) zou gaan heten. Het eerste deel Nacht über der Prärie (Nacht over de prairie) verscheen in 1966. Een uitmuntende Nederlandse vertaling van Willy Wielek-Berg verscheen in 1974 bij uitgeverij Leopold. Mevrouw Wielek-Berg vertelde mij dat zij Liselotte enkele keren vluchtig had ontmoet maar niet lang met haar kon praten omdat Liselotte het altijd erg druk had. Alhoewel geclassificeerd als een jeugdboek werd het boek zeer goed ontvangen. Miep Diekman sprak in de IJmuider Courant zelfs van „een van de zeldzame vrijheidsmonumenten binnen de literatuur". Bij dit boek wil ik wat langer stilstaan.

Er worden nauwelijks zinspelingen gedaan naar de tijd waarin het boek speelt. Met enige inleving zou het boek zich vandaag de dag kunnen afspelen. Het monument voor Crazy Horse in Zuid-Dakota is inmiddels in de maak, dus data van voor 1947 vallen weg. De stam in kwestie wordt ook met geen woord genoemd, maar alle Indiaanse woorden zijn in de Lakota-taal. „Het reservaat" grenst aan het maanlandschap de Badlands en moet dus wel Pine Ridge of Rosebud zijn.

De locatie waar het grootste gedeelte van de roman zich afspeelt, is „het dal van de witte bergen" waar de ranch van de familie King zich bevindt. Liselotte had waarschijnlijk een voorkeur voor bergmassieven, want twee van haar romans voor volwassenen die niet over Indianen gaan, Zwei Freunde (Twee vrienden; over de discriminatie van homoseksualiteit in Nazi-Duitsland) en Der Bergführer (De berggids) spelen zich ook af in de nabijheid van een bergmassief. In het dal bevindt zich ook het graf van de moeder van Crazy Horse (ik heb niet kunnen achterhalen of dit op waarheid gebaseerd is).

Liselotte’s personages waren vaak gebaseerd op werkelijk bestaande personen en soms zelfs personen die zij persoonlijk kende. De mannelijke hoofdpersoon, Joe King oftewel Stonehorn (Lakota: Inya-he-yukan) was gebaseerd op een jonge Zwartvoet Indiaan die in de jaren vijftig en zestig behoorlijk veel stof op zijn reservaat deed opwaaien. Hij was een begenadigd vechter of het nu op zijn blote vuisten of zijn beruchte stiletto aankwam.

In Quennie (de vrouw van Joe) kwam Liselotte’s bewondering voor de Indiaanse schilderkunst tot uiting. Quennie’s Indiaanse naam luidt Tashina. Dit was dezelfde naam die Liselotte zelf kreeg toen zij werd opgenomen in de Lakota-stam. De jonge en mooie Quennie is een hoogbegaafd schilderes. Quennie is in sommige opzichten een tegenpool van Joe.

Het kunstzinnige proces, net zo belangrijk voor Liselotte als voor welke kunstenaar dan ook, wordt belichaamd in dit personage. Naast haar schilderijen vervaardigt Quennie de nodige kunstnijverheidsobjecten waarbij zij gebruik maakt van oude Indiaanse motieven. Het personage Quennie loopt parallel aan de rol van de „zanger" uit de Homerische traditie, die Liselotte nauwgezet had bestudeerd, die in „Muße" creëert en met wiens rol Liselotte zich identificeerde.

Als Nacht over de prairie begint, keren beide Indianen naar het reservaat terug. Quennie keert terug van de kunstacademie en Joe wil zijn leven als gangster de rug toe keren. Nadat Joe en Quennie trouwen, betrekken zij een kleine blokhut in het dal van de witte bergen. Spanning, romantiek en literaire hoogstandjes zullen er plaatsvinden.

Liselotte gaf de plot van het boek een belangrijke wending door de introductie van de persoon Okute. Net als de situatie volkomen uitzichtloos lijkt, komt een ruim 100-jarige Lakota-Indiaan zijn familie in de VS opzoeken. Zijn komst zal voorspoed brengen. Hij komt uit Wood Mountain in Canada waar nog Lakota’s wonen die niet met Sitting Bull terugkeerden naar de Verenigde Staten.

Het personage Okute was gebaseerd op de werkelijk bestaande persoon John Okute, die Liselotte persoonlijk kende. Liselotte eerde hem door hem in de roman de Indiaanse naam Inya-he-yukan (Stonehorn) te geven. Door middel van dit personage legde Liselotte de link met haar vorige romancyclus aangezien Okute wordt geassocieerd met Harka.

De echte John Okute was ook afkomstig uit Wood Mountain, Saskatchewan. Okute stierf kort na Liselotte’s bezoek aan de VS in 1974. Hij had een verhalenbundel geschreven die plaatselijk werd gepubliceerd. Liselotte zinspeelde op deze verhalenbundel in verdere delen van het vijfluik en probeerde zelfs een Duitse uitgever te vinden voor de bundel.

Ondanks de uiterst accurate weergave van problemen als werkeloosheid en alcoholisme, flonkert er hoop achter de horizon in „Nacht over de prairie". Veel blanken beginnen langzaam maar zeker een groter begrip te krijgen voor de oorspronkelijke bewoners en met name onder de jongere Indianen groeit het zelfbewustzijn.

Tegenwoordig is „Nacht over de prairie" alleen nog in het Duits verkrijgbaar. De foto van een Navaho-Indiaan uit de vorige eeuw op de voorkant is ietwat misplaatst voor een boek dat zich afspeelt bij de Prairie-Indianen, hetgeen natuurlijk geen afbreuk doet aan de inhoud.

Liselotte vond het kennelijk geen probleem om voor het tweede deel van het vijfluik een compleet andere vertelsituatie te hanteren. „Nacht over de prairie" werd vanuit een auctoriale vertelsituatie verteld. Licht über Weißen Felsen (Licht over witte rotsen) heeft de jonge Wakiya-Knaskiya als verteller, die in „Nacht over de prairie" slechts enkele keren genoemd wordt. De eerste helft van dit boek is tegenwoordig verkrijgbaar is onder de titel „Wakiya". Wakiya is een bij aanvang achtjarig jongetje die aan epilepsie lijdt, zeer intelligent is en in de mythen van zijn voorvaderen leeft. De eerste 122 bladzijden van dit boek zijn in feite de gebeurtenissen van „Nacht over de prairie" gezien door de ogen van Wakiya.

Joe King adopteert Wakiya als zijn pleegzoon. Tevens geeft Quennie geboorte aan een tweeling. Tweelingen zijn heel belangrijk in de mythologie van de Lakota’s. Volgens de Lakota’s vond er lang geleden een grote vloed plaats (veel volken kennen een dergelijke mythe) die slechts een vrouw spaarde die door een adelaar naar een bergtop werd gebracht. Later gaf deze vrouw geboorte aan een tweeling. Van deze tweeling stammen alle Lakota’s af, aldus de mythe.

In dit deel neemt Joe King deel aan de Zonnedans en alhoewel zijn deelname door een uitgebreide discussie vooraf wordt gegaan, zag Liselotte er vanaf een directe beschrijving te geven van de ceremonie. De thuisgebleven Wakiya krijgt echter een visioen waarin hij het verloop van de ceremonie ziet. De behandeling van de ceremonie onderstreept Liselotte’s respect voor de hoogste uiting van de Lakota-religie.

In dit deel vinden wij een lang hoofdstuk dat vrijwel geheel gewijd is aan hoe Quennie haar studie afrondt aan de kunstacademie in Santa Fe. In dit hoofdstuk worden artistieke creativiteit, „Muße" en kunst als handelsartikel met elkaar gecontrasteerd.

Joe gaat in dit deel achter zijn vroegere collega de vrouwelijke gangster Esmeralda aan en draagt voor de gelegenheid een zwart masker (een duidelijke verwijzing naar de Heyoka-cultus waarvan de leden vaak zwarte maskers droegen). Hier gaat een uitgebreide discussie aan vooraf waarin het belang van maskers in Indiaanse culturen benadrukt wordt. Verder weet de oude Inya-he-yukan dat hij een nakomeling heeft waarin de grootheid van zijn naam voort kan leven. Hij kan nu gerustgesteld terugkeren naar zijn voorouders. Als hij sterft wordt hij naar zijn eigen wens begraven in de Black Hills, het heilige gebied van de Lakota stam.

In het derde deel Stein mit Hörnern (Steen met horens) zet de inmiddels van blaam gezuiverde Joe King tal van activiteiten op touw. Hij houdt de jeugd van de straat door middel van een schoolranch. Een oude Ghost Dance profetie gaat in vervulling als Joe een kudde bizons terugbrengt naar het reservaat. Joe wordt een man van aanzien zowel bij Indianen als blanken. Hij raakt echter zwaar gewond aan zijn rug en moet maandenlang in een kliniek doorbrengen. Dit deel bevat ook een uitgebreide beschrijving van een bijeenkomst van de Native American Church (Peyote-religie).

„Stein mit Hörnern" wijkt af van de eerste twee delen door het feit dat een werkelijke historische gebeurtenis in de roman wordt verwerkt, namelijk de oprichting van de American Indian Movement (AIM). In 1968, een jaar waarin Liselotte de VS bezocht, werd door Dennis Banks en Clyde Bellecourt een beweging opgericht die er als eerste in slaagde Indianenstammen in heel Noord-Amerika te verenigen in een landelijke verzetsbeweging. Als Joe King van zijn rug is genezen, sluit hij zich bij hen aan.  

L. Welskopf-Henrich um 1984 Liselotte Welskopf-Henrich
1901-1979



Foto:
Trommel # 28'1984


Een verandering van koers  


In de eerste drie delen was het Liselotte het er voornamelijk om te doen een leven in „Muße" te contrasteren met de ontberingen van „Schole". Met de publicatie van Der siebenstufige Berg (De berg met zeven treden) begon echter wat als een „Entwicklungsgeschichte" was begonnen nu een „Reservationsentwicklungsgeschichte" te worden. Het echtpaar King is aanzienlijk minder prominent dan in de vorige drie delen. Er verschijnt een dubbelganger ten tonele die schooldocent is en een halfbroer is van Joe (opnieuw komt het thema van de tweeling naar boven). Tamelijk schokkend is het relaas van een groepje Indiaanse jongeren dat gezamenlijk zelfmoord pleegt. Wel is dit op de realiteit gebaseerd, aangezien de Indianen van alle minderheidsgroepen in de VS het hoogste aantal zelfmoorden onder jongeren hebben. Haar behandeling van zelfmoord onder Indianen werd ook behandeld in het paper „Probleme des Bildungswesens bei den nordamerikanischen Prärie-Indianern" (Identiteitsproblemen bij de Noord-Amerikaanse Prairie Indianen). De sfeer wordt alsmaar grimmiger en het is geen wonder dat het boek eindigt met de mededeling dat een groep Indianen besloten heeft om het eiland Alcatraz te bezetten.

Het begon allemaal toen er 10 november 1969 vier Indiaanse studenten aanmeerden op het eiland Alcatraz en de autoriteiten vertelden dat zij het eiland van de VS wilden kopen voor vierentwintig dollar aan kralen (dit was de prijs waarvoor de blanken het eiland Manhatten kochten van de Delaware Indianen). Niemand nam de Indianen serieus. Maar toen in de nacht van 19 op 20 november 89 Indianen van verschillende stammen het voormalige gevangeniseiland bezetten, bleek dat het de Indianen ernst was. De bezetting was georganiseerd door een groep die zich Indians of all Tribes noemde. Eén van de leiders, Richard Oakes, had in San Fransisco de nieuwe studie „Native American Studies" doorlopen.

Op het eiland Alcatraz was tot maart 1963 een staatsgevangenis gevestigd, daarna had het geen functie meer. Toen het eiland door Indianen werd bezet, beriepen zij zich op een oud verdrag waarin stond dat al het land dat niet meer door blanken wordt gebruikt, automatisch weer eigendom van de Indianen wordt. Bovendien zeiden de Indianen dat het stuk land goed bruikbaar was als reservaat vanwege de armoede en het feit dat de bewoners altijd als gevangenen waren behandeld.

De bekende popgroep Creedence Clearwater Revival tastte in de beurs en kocht een boot voor de bezetters om heen en weer te varen met levensmiddelen en nieuwe bewoners. De bevolking bereikte een hoogtepunt met 300 bewoners. Op 23 december vond er zelfs een conferentie plaats in de gevangenis. De bezetting duurde voort ondanks dat de autoriteiten een tijd lang de elektriciteit afsloten. Liselotte bezocht het eiland in 1970 en kwam toen op het idee om de gang van zaken voorafgaande aan de bezetting in een boek te verwerken. In januari 1971 botsten twee olietankers nabij Alcatraz en alhoewel dit niks te maken had met de bezetting was dit voor president Nixon reden genoeg om het eiland te laten ontruimen. Op 10 juni 1971 kwam na 19 maanden een eind aan de bezetting en werden de 15 overgebleven Indianen door de autoriteiten weggevoerd.

Een uitspraak van "de medicijnman van Alcatraz" (dit kan wellicht Mad Bear Anderson geweest zijn), zou later gebruikt worden om alle vijf de romans aan te duiden:   

Rot ist das Blut des Adlers.
Rot ist das Blut des braunen Mannes.
Rot ist das Blut des weißen Mannes.
Rot ist das Blut des schwarzen Mannes.
Wir sind alle Brüder  

Het bloed van de adelaar is rood
Het bloed van de bruine mannen is rood
Het bloed van de blanke mannen is rood
Het bloed van de zwarte mannen in rood
Wij zijn allen broeders   

In het laatste deel, „Das helle Gesicht", wordt de koers van het vorige deel voortgezet. In het eerste hoofdstuk wordt de lezer medegedeeld dat zowel Joe als Quennie het slachtoffer zijn geworden van politiek gemotiveerde moorden. Waarschijnlijk vond Liselotte het echtpaar te romantisch en stonden zij in de weg van een realistische weergave van de ontwikkelingen op het reservaat.

Das helle Gesicht is een roman over de situatie op het Pine Ridge reservaat in de jaren zeventig. Later zou deze situatie behandeld worden in boeken als „In the Spirit of Crazy Horse" van Peter Matthiessen en „Lakota Woman" van Mary Crow Dog (een bekende van Liselotte) en Richard Erdoes en natuurlijk de speelfilm „Thunderheart". De hoofdpersonen zijn tot literaire personages verworden leiders van de American Indian Movement, waarbij soms twee personen tot één samengevoegd. Wel was Liselotte genoodzaakt de meeste personages andere namen te geven, omdat de informatie in het boek verkeerd gebruikt zou kunnen worden. Vrijwel alle personen die een rol spelen in „In the Spirit of Crazy Horse" zijn terug te vinden in deze roman.

Het waren slechte tijden voor de traditionele Lakota’s. Een beruchte illegale drankstoker, Dick Wilson (in de roman bijtend Dick Killerchief genoemd), werd op corrupte wijze voorzitter van de stamraad en liet iedereen die het aandurfde zich tegen hem te verzetten, molesteren of uit de weg ruimen door zijn "Goons" (knokploeg oftewel Gaurdians of the Oglala Nation"). Pedro Bisonette, de oprichter van de OSCRO (Oglala Sioux Civil Rights Commission) werd in 1973 neergeschoten door een goon ondanks het feit dat hij ongewapend was en zich niet had verzet. Hij bloedde dood voordat hij naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis werd gebracht. Liselotte woonde zijn begrafenis bij en omdat hij vanuit de dood weinig kwaad meer kon aanrichten, is hij een van de weinige mensen die in „Das helle Gesicht" bij hun eigen naam worden genoemd. Ruim driehonderd Indianen kwamen tijdens deze periode op soortgelijke wijze om het leven.

Liselotte kon uit eigen ervaring over deze situatie vertellen. Tijdens een bezoek aan Pine Ridge in 1974 werd zij eerst ondervraagd door de FBI omdat zij volgens hun met de "tegenpartij" in zee was gegaan. Vervolgens werd zij door de Goons uitgemaakt voor communist en mocht de 73-jarige grootmoeder op hun initiatief een nacht in een gevangeniscel doorbrengen.

Toen de traditionelen de hulp van de American Indian Movement inriep, resulteerde dit in de bezetting van het dorpje Wounded Knee, dat inmiddels internationale faam had verworven door de in 1972 verschenen bestseller „Bury my Heart at Wounded Knee" van Dee Brown. 73 dagen lang belegerde vrijwel elke militaire macht die Amerika rijk is de slecht bewapende Indianen, die zich uiteindelijk overgaven. In 1974 begonnen de eerste processen tegen de AIM-leiders die aan de bezetting hadden deelgenomen. De verdediging onder leiding van William Kunstler was zeer deskundig en wordt in de roman dan ook heel positief weergegeven. Liselotte kon uit eigen ervaring hierover vertellen aangezien zij deze rechtszaken bijwoonde. Er was zoveel door de tegenpartij gefabriceerd bewijsmateriaal dat rechter Nichols niets anders kon doen dan het proces ongeldig verklaren.

Liselotte schrok er niet voor terug de meest gruwelijke aspecten van de recente Indiaanse geschiedenis in haar roman te beschrijven. „Das helle Gesicht" is naar mijn weten de enige roman die gedwongen sterilisaties van Indiaanse vrouwen beschrijft. In het verlengde van het „nits make lice" beleid van kolonel Chivington werden gedurende de jaren zeventig duizenden Indiaanse vrouwen illegaal en tegen hun wil in ziekenhuizen gesteriliseerd.
Terwijl zij aan „Das helle Gesicht" werkte, schreef zij het paper Historischer Roman und Gegenwart - Wo ist die Grenze zwischen Geschichte und Gegenwart? (De historische roman en het heden, waar ligt de grens tussen geschiedenis en het heden?) waarin zij beargumenteerde dat een goede eigentijdse roman een goede historische roman kan worden. Met het pas in 1980 gepubliceerde „Das helle Gesicht" probeerde ze juist dat te doen.  


Engagement  

Liselotte’s engagement met de Indiaanse zaak duurde voort tot op de dag van haar dood. Elk mogelijk wapen gooide zij in de strijd. Of het nu haar status als internationaal geleerde, haar literaire bekendheid of haar status als voormalig verzetsvrouw betrof. Zij liep mee met demonstraties die de Indianen organiseerden tegen racistische westerns en gaf ook de nodige financiële bijdragen aan diverse Indiaanse verzetsbewegingen alhoewel ze niet buitengewoon rijk was. Toen Wounded Knee bezet was, kwam ze op de Duitse radio om uitleg te geven over de situatie. Aangezien Oost-Duitse valuta elders geen waarde had, zamelde zij schoenen, boeken, truien, jassen en wat dies meer zij in en stuurde die naar bekenden op Pine Ridge. Zij werkte nauw samen met de steungroep „Interessengemeinschaft Indianischen Kultur" (Belangenvereniging Indiaanse cultuur) die tegenwoordig de naam „Gesellschaft für bedrohte Völker" (Vereniging ter ondersteuning van bedreigde volkeren)  draagt en nog steeds haar kolossale correspondentie met AIM-leden in haar bezit heeft.

Liselotte kreeg talloze reacties van lezers op haar boeken. Als zij antwoordde, raadde zij de lezers aan de Indianen niet te imiteren maar om te proberen aan goede, authentieke informatie te komen. Ze vroeg mensen om leer en kralen te verzamelen en als er een dierentuin met stekelvarkens in de buurt was er langs te gaan voor stekelvarkenpennen. Ze vroeg haar lezers dan deze spullen op te sturen aan één van de organisaties die zij kende zoals „the travelling college of Indians".

Op een van haar bezoeken aan de VS besloot Liselotte een bezoek te brengen aan de woning van kunstenaar/auteur Richard Erdoes die ook wel bekend stond als „Sioux East". Liselotte en Erdoes hadden veel gemeenschappelijk: ze hadden beiden geleden onder de verschrikkingen van Nazi-Duitsland en natuurlijk hun liefde voor Indianen. Liselotte probeerde een Duitse uitgever te vinden voor een Duitstalige versie van het boek „Lame Deer: Seeker of Visions" van Erdoes (dit boek werd naar het Nederlands vertaald door meneer Heyink). Later hield Erdoes Liselotte per brief op de hoogte van de meest recente ontwikkelingen in Indian Country. In de jaren negentig zou Erdoes de bestsellerlijsten bestormen als medeauteur van het boek „Lakota Woman" over het leven van Mary Crow Dog, wiens persoon al veel eerder vereeuwigd was door Liselotte in haar laatste roman in de persoon van Ite-ska-wih wat Lakota is voor „Das helle Gesicht".

De vele vrienden die Liselotte onder de Indianen had, waarvan de meesten haar aanspraken als „grootmoeder", wisten haar soms zelf in haar woonplaats Berlijn te vinden. Russel Means en Clyde Bellecourt kwamen haar met vrouw en kinderen opzoeken als zij in Europa hun zaak kwamen verdedigen. Maar vooral met Dennis Banks en zijn vrouw onderhield Liselotte een zeer hechte relatie. In de winter van 1974/75 kwam Clyde Bellecourt onverwachts bij Liselotte op bezoek en ondanks dat er een groot aantal geleerden bij haar op bezoek was, laste zij de zitting onmiddellijk af en vroeg Bellecourt voor de verzamelde geleerden iets te vertellen over de gang van zaken op de reservaten. Graag wilde Liselotte dat haar Indiaanse vrienden haar romans lazen, maar aangezien haar romans nooit naar het Engels werden vertaald, gebeurde dit nooit.

Ook haar werk als geleerde duurde voort ondanks haar hoge leeftijd. Soziale Typenbegriffe im Alten Griechenland und ihr Fortleben in den Sprachen den Welt (Sociale concepten in het oude Griekenland en hun voorleven in de wereldtalen) was een monumentaal project waarbij ruim zestig internationale geleerden betrokken waren en dat uit zeven delen bestond waarvan de laatste twee over Indianentalen gingen en dat na Liselotte’s dood gepubliceerd werd alhoewel het nog niet volledig voltooid was.

Op 16 juni 1979 stierf Liselotte in Berlijn. Haar man was haar enkele maanden eerder voorgegaan. Zij werd naast haar man begraven in een begraafplaats in Berlin Treptow. De naam die haar bij haar geboorte gegeven was en die tijdens haar leven twee verschillende varianten had gekend, werd nu volledig en in haar eigen handschrift op haar grafsteen gekerfd: Liselotte Welskopf, geb. Henrich.  
 

Stein mit Hörnern
Derde deel van de romancyclus "Das Blut des Adlers". Voorkant van de eerste editie uit 1968 naar een ontwerp van Klaus Segner
Cover of "Stein mit Hörnern", first edition 1968 (Klaus Segner)  


* Bij deze iets over de bronnen. In de eerste plaats heb ik natuurlijk Liselotte haar romans gebruikt en in het bijzonder de Nederlandse vertalingen. Het Letterkundig Museum in Rotterdam had diverse krantenknipsels over Liselotte en ook op het internet heb ik informatie kunnen vinden. Mijn voornaamste bron was echter de dissertatie “A Cultural Study of the Sioux Novels of Liselotte Welskopf-Henrich” van Tina Muller en in iets mindere mate persoonlijke correspondentie met dezelfde auteur. Tina, die Duits en Engels doceert aan de Universiteit van Pennsylvania, schreef deze 543 pagina’s tellende studie ter verkrijging van de Ph.d. graad in Duitse literatuur. Tina bracht een maand in Berlijn door en werkte zich van s’ ochtends vroeg tot s’ avonds laat door Liselotte haar wetenschappelijke geschriften en correspondentie. Zij werkt nu aan de boeken “Inya-he-yukan und Liselotte Welskopf-Henrich” en “Europe's Sacred Allergies: Indigenism vs. Eurocentrism” (ik zal proberen meer informatie over deze boeken te geven als ze verschijnen).
Wat betreft mijn artikel: de delen “Muße”, “De Stenen Jongen” en “Engagement” zijn volledig gebaseerd op de dissertatie. “Harka of ‘Die Söhne der Großen Bärin’” en “Das Blut des Adlers” zijn gebaseerd op de dissertatie, informatie van het internet en de romans zelf. “Een brief aan de president” en “Avontuur” zijn gebaseerd op de dissertatie en een artikel van Liselotte afkomstig van het Letterkundig Museum. “Een verandering van koers” is gebaseerd op de dissertatie, het bekende “In the Spirit of Crazy Horse” van Peter Matthiessen en krantenknipsels verzameld door Ellen Kastermans in de late jaren zestig en begin zeventig van de vorige eeuw. “Meneer Heyink heeft kritiek” is ontleend aan een brief die Liselotte schreef aan meneer Heyink die in het bezit is van Frans Wojchiechowski.


Bibliography

Ametas Publishing.
Wir erinnern an Liselotte Welskopf-Henrich
http://ametas.homepage.t-online.de/welskopf.htm

Lame Deer, John (Fire) and Richard Erdoes (1976).
Lame Deer: Seeker of Visions. New York: Simon and Schuster.

Matthiessen, Peter (1992).
In the Spirit of Crazy Horse. London: Harper Collins.

Muller, Elsa Christina (1995).
A Cultural Study of the Sioux Novels of Liselotte Welskopf-Henrich. Unpublished Ph.D. Dissertation, University of Maryland, College Park, Maryland.

Native-L.
Lakota times, indian country today, german scholars & lakota

Native-L.
Info regarding ITC documentary?

Punch, Julio (1995).
Boekbespreking: Nacht over de prairie.
De Kiva, 32e volume no 2-Januari/februari 1995.

Punch, Julio (1998).
De rituelen van de Lakota Indianen.
De Kiva, 35e volume no 5/6-September-December 1998.

Senenko, René (1999).
Liselotte Welskopf-Henrich. Werke.
http://ametas.homepage.t-online.de/henbell.htm

Senenko, René (1999).
Elisabeth Charlotte Welskopf. Wissenschaftliche Werke
http://ametas.homepage.t-online.de/henwiss.htm

Senenko, René (1999).
Liselotte Welskopf-Henrich 1901-1979. Biografisches.
http://ametas.homepage.t-online.de/hen-bio.htm

Welskopf-Henrich, Liselotte.
Der Mann mit dem Namen Mato-wa-wo-yuspa, der Bär der zupackt, nach dem Berichte von John Okute, mit seinem indianischen Namen Woon-ka-pis-ni (Wurde nicht niedergeschossen).
Taken from the children's monthly Frösi, Berlin (G.D.R.), unknown year
http://ametas.homepage.t-online.de/okute.htm

Welskopf-Henrich, Liselotte (1953).
Über den Missouri. Berlin: Altberliner Verlag, 1982.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1966).
De strijd om de jachtvelden. Hollandia N.V., Baarn.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1966).
Boze krachten aan het werk. Hollandia N.V., Baarn.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1967).
In ballingschap. Hollandia N.V., Baarn.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1969).
Het hol in de zwarte bergen. Hollandia N.V., Baarn

Welskopf-Henrich, Liselotte (1967).
Tussen twee werelden. Hollandia N.V., Baarn

Welskopf-Henrich, Liselotte (1966).
Licht über Weißen Felsen. Mitteldeutscher Verlag, Halle-Leipzig.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1968).
Stein mit Hörnern.: Mitteldeutscher Verlag, Halle-Leipzig..

Welskopf-Henrich, Liselotte (1974).
Nacht over de Prairie. Uitgeverij Leopold, Den Hague.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1972).
Der siebenstufige Berg. Buchclub 65, Berlin.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1980).
Das helle Gesicht. Mitteldeutscher Verlag, Halle-Leipzig.

Welskopf-Henrich, Liselotte (1995).
Wakiya. Beltz & Gelberg, Weinheim and Basel



Nederlandstalige versie:
Liselotte Welskopf-Henrich en de Indianen
Door Julio Punch


Copyright © Text 08/ 2000 by Julio Punch, The Netherlands.
 

Julio Online Visit Julio's  Website



Copyright © Design by René Senenko, Hamburg, Germany, eMail  
The background picture is based on a motif by © Klaus Segner, Gruppe 4, Berlin